News

Check out market updates

Interview Casper van Eijck

Prof. dr. Casper van Eijck

Hij heeft het relativeren van z’n eigen rol in het ondermaanse tot kunst verheven, z’n grootsheid als chirurg zet hij vakkundig met Rotterdamse nuchterheid in een schaduwrijk hoekje. Als toch weer even de naam van Steve Jobs valt, reageert hij zelfs lichtelijk geïrriteerd. Hij, prof. dr. Casper van Eijck (60), zou het Apple-fenomeen onder behandeling hebben gehad. Hoofdschuddend: ,,Dat verhaal is een eigen leven gaan leiden. Ons medisch team, hier in Rotterdam, heeft iets voor hem kunnen doen. Ik speelde een rol op de achtergrond, meer niet. En dan nog… Meneer Lucassen uit Crooswijk is als patiënt voor mij net zo belangrijk. In de strijd tegen kanker is ieder mens gelijk.”

Als vleugelspits Eljero Elia voor een thuiswedstrijd van Feyenoord in z’n splinternieuwe Rolls-Royce het stadionterrein op komt rijden, tuft Casper van Eijck er als clubarts op z’n blauwe Vespa-scootertje achteraan. Grijnzend: ,,Verschil moet er zijn, de dokter kent zijn plaats in de pikorde.” Maar toch… Op 7 mei speelt Feyenoord wellicht zijn kampioenswedstrijd tegen stadsgenoot Excelsior. Zit de dokter in de dug-out mooi te kijken naar de shirts van de tegenstanders, met groot zijn naam erop. SUPPORT CASPER.

Hoe gek is dat?

,,In ieder geval heel bijzonder, vooral door de manier waarop Wouter Gudde en Ferry de Haan van Excelsior de actie hebben opgepakt. Met dank natuurlijk ook aan zorgverzekeraar DSW, de vaste shirtsponsor van de club die z’n plek voor een tijdje heeft afgestaan aan onze actie tegen alvleesklierkanker. Ze zeiden: ’We gaan er wel even vanaf, want we vinden dit een geweldig initiatief ’. Had ik nooit durven dromen. Die actie op het shirt schijnt ook behoorlijk uniek te zijn, want we hebben er zelfs de Italiaanse kranten mee gehaald. Het blijft een rare gewaarwording om naar je eigen naam te kijken. Ik heb daar uiteraard niet om gevraagd. Er was een boegbeeld nodig en dat werd ik, maar er zit een heel team achter. Alle eer voor de nabestaanden van overleden patiënten die met het initiatief zijn gekomen.”

Z’n kantoortje in het Erasmus Medisch Centrum is eenvoudig, alleen het uitzicht over Rotterdam is mooi. Hij kon vroeger ook aardig voetballen. Snel, linkspoot op de vleugel, prima voorzet. Toen kwam de dag waarop hij moest kiezen: ofwel bij een betaalde club spelen ofwel medicijnen studeren. Later deed hij als clubarts van Sparta regelmatig mee met de partijtjes op de training.

Sparta-fans waren ontstemd over uw ’transfer’ naar Feyenoord. Dat moet uw ego enigszins hebben gestreeld?

,,Nee, ook dat niet. Misschien een teken dat ik het daar niet zo slecht heb gedaan, maar ik kon er slecht tegen dat het bij Sparta destijds sportief niet goed ging. Dat ging mij aan het hart. Meehobbelen in de eerste divisie en dus op vrijdagavonden naar de wedstrijden moeten… Dat kon ik niet meer combineren met mijn werk. Toen vroeg Leo Beenhakker of ik naar De Kuip wilde komen. Ik had hem ooit aan zijn lies geopereerd, pal nadat Feyenoord van Sparta had verloren. Toen hij bijkwam, zei ik: ’De operatie is geslaagd’.

Leo antwoordde: ’Mooi. Kun je misschien ook wat aan die uitslag doen?’ Bij mensen met zo’n gevoel voor humor voel ik me snel thuis. Bij het duo Mario Been/Leo Beenhakker kwam ik in een warm nest.”

Wat heeft oncologie met liesblessures te maken?

,,Helemaal niks. Er kwam iets nieuws, de kijkoperatie, en vandaaruit hebben we als groepje medici een techniek ontwikkeld om voetballers sneller van liesblessures te laten herstellen.”

U had het nog niet druk genoeg, met al uw oncologische operaties?

,,Je moet daar niet te dramatisch over doen. Ik deed die liezen altijd op vrijdagochtend en dat ging prima.”

U bent te bescheiden om het zelf te zeggen, dus doe ik het maar: het is absurd dat een groot medisch specialist als u, dagelijks trachtend mensenlevens te redden, minder verdient dan een modale voetballer.

,,Dat is appels met peren vergelijken. Allereerst moeten de voetballers in korte tijd hun geld verdienen. Bovendien vinden veel meer mensen het leuker om naar voetbal te kijken dan naar een operatie.”

Maar wat is er belangrijker dan met een grote dosis kennis levens redden?

,,Bij ons verdient een chirurg volgens de balkenendenorm. Klaar. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het genoeg vind.”

Maar er zou op z’n minst toch wat meer respect mogen zijn voor medici die hun leven in dienst stellen van de verlenging van andere levens?

,,Die waardering is er echt wel, maar wordt alleen niet in geld uitgedrukt. Nederland is het enige land ter wereld waar kwaliteit in de gezondheidszorg niet extra wordt beloond. De gezondheidszorg is hier ongelooflijk socialistisch ingesteld. Daar heb ik op zich geen moeite mee omdat we door dat systeem veel goede dingen voor de mensen kunnen doen. Laat ik het voorzichtig zeggen: je krijgt geen financiële prikkel als je met nieuwe ideeën of methodes komt. Maar weet je waar ik me veel drukker over maak? Al die jongens en meisjes in de verpleging, net zo oud als de voetballers, hun ziel en zaligheid leggend in het verzorgen van mensen… Als ik zie hoe zij worden beloond… Dat stuit me tegen de borst. En René van der Gijp (zijn beste vriend, red.) ook. Hij heeft de lijdensweg van z’n moeder meegemaakt, met eigen ogen gezien hoe jonge mensen liefdevol een volkomen onbekend iemand verplegen.”

Twee tot drie operaties van zes tot acht uur per week, dat mag je toch topsport noemen?

,,Chirurgen ervaren ’t als volkomen normaal. Je bent geconcentreerd bezig, merkt niet dat je acht uur aan zo’n operatietafel staat. Daarna ben ik mentaal vaak gebroken, maar ik herstel gelukkig snel.”

Door na een zware dag klassieke muziek te spelen op de piano. Als Van der Gijp uit z’n sauna komt, gaat hij languit op de bank liggen om naar voetbal te kijken. Waar is in vredesnaam de overeenkomst die jullie vriendschap enigszins kan verklaren?

,,Wat René en ik gemeen hebben, is dat we ons beiden afvragen waar het normaal doen is gebleven. Mijn secretaresse had een man onder de knop die iets wilde weten over de alvleesklierkanker van zijn vrouw. Dus ik krijg die meneer aan de lijn en sta hem vijf minuten te woord. Een kwartier later belde hij weer met m’n secretaresse. Vreselijk dankbaar dat hij mij had kunnen spreken terwijl hij niet eens patiënt van me is. Dat had hij nog nooit meegemaakt. Voor mij is dat de normaalste zaak van de wereld, even vijf minuten iemand te woord staan. Maar kennelijk is de maatschappij zo aan het veranderen dat het bijzonder wordt gevonden. Dat is ook wat René vaak zegt: doe eens gewóóón.